De decarbonisatie van het transport moet technologieneutraal zijn

De Europese Commissie heeft eind 2025 haar Automotive Package voorgesteld om de inspanningen van de automobielsector te ondersteunen in het kader van de transitie naar koolstofarme mobiliteit.

Energia is van mening dat de decarbonisatie van het wegtransport moet steunen op het principe van technologieneutraliteit en de rol van hernieuwbare brandstoffen naast elektrificatie moet erkennen. Maar hoe kunnen brandstoffen en voertuigen met een verbrandingsmotor, net als elektrificatie, bijdragen aan het terugdringen van de uitstoot van het wegvervoer? Het juiste antwoord vloeit voort uit een analyse van de totale CO2-impact over de volledige levenscyclus. Die benadering maakt duidelijk dat deze technologieën complementair zijn en niet met elkaar concurreren.

De economische, wetenschappelijke en pragmatische argumenten voor het gebruik van hernieuwbare brandstoffen in het wegvervoer blijven overtuigend. Om ervoor te zorgen dat deze innovatieve brandstoffen daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de decarbonisatie van het transport, zou de overheid bij de herziening van de CO₂-emissienormen voor voertuigen rekening moeten houden met de volgende beleidsaanbevelingen:

  • Een categorie van voertuigen met een verbrandingsmotor die uitsluitend op in aanmerking komende brandstoffen rijden (VEEF’s[1]) definiëren binnen de categorie nul-emissievoertuigen, op basis van robuuste methoden voor monitoring en certificering.
  • Het toepassingsgebied van dergelijke brandstoffen uitbreiden tot alle hernieuwbare brandstoffen die voldoen aan de Renewable Energy Directive (RED), zowel voor VEEF’s als voor het systeem van kredieten voor in aanmerking komende brandstoffen.
  • Een nuluitstootfactor toekennen aan 100% hernieuwbare brandstoffen, aangezien de CO₂ die zij tijdens de gebruiksfase uitstoten circulair is (van biogene oorsprong) en de CO₂-concentratie in de atmosfeer niet verhoogt.
  • Het systeem van kredieten voor in aanmerking komende brandstoffen uitbreiden door zowel het plafond van 3% als het subplafond van 1% voor biobrandstoffen uit bijlage IX, deel B, af te schaffen. Bovendien moet hun bijdrage zonder beperkingen en zonder vertraging de marktrealiteit weerspiegelen, rekening houdend met de geleidelijke verhoging van de RED-verplichting (29% in 2030 komt overeen met meer dan één “VEEF”-voertuig op vier).
  • Een coherente aanpak hanteren binnen het initiatief inzake Clean Corporate Vehicles, zodat de bijdrage van hernieuwbare brandstoffen in overeenstemming wordt gebracht met de herziening van de CO₂-emissienormen voor lichte voertuigen.

De huidige Europese regelgeving inzake CO₂-emissienormen houdt uitsluitend rekening met de uitstoot aan de uitlaat en laat de upstream-emissies buiten beschouwing[2]. Daardoor worden voertuigen met een verbrandingsmotor de facto uitgesloten, zelfs wanneer zij rijden op hernieuwbare brandstoffen die voldoen aan de RED-richtlijn. Om deze irrealistische situatie weg te werken, beveelt onze sector de overheid aan om vóór eind 2026 een nieuwe categorie voertuigen te creëren die uitsluitend gebruikmaken van in aanmerking komende hernieuwbare brandstoffen (VEEF).

Vanuit klimaatperspectief vormen hernieuwbare brandstoffen een volwaardig alternatief voor de elektrificatie van het wegvervoer. Zij bieden een interessante vorm van technologische complementariteit als antwoord op de groeiende uitdagingen rond een toereikende elektrische infrastructuur. De – weliswaar nog beperkte – erkenning van deze brandstoffen door de Europese Commissie in het kader van de herziening van de CO₂-normen vormt een eerste stap in de richting van een meer pragmatische aanpak.

Bertrand Gyselynck
Secretaris-generaal

 

[1] Vehicles Exclusively running on Eligible Fuels (VEEF)

[2] Een levenscyclusanalyse biedt daarentegen een realistischer en vollediger beeld van de CO₂-uitstoot